Plannen voor Participatiewet wringen met VN-verdrag


Belangrijke onderdelen van de Participatiewet zijn in strijd met het VN-verdrag inzake de rechten van mensen met een beperking. Zo oordeelt de Landelijke Cliëntenraad (LCR) in een officiële reactie naar de regering op de concept-goedkeringswet tot ratificatie van het VN-verdrag. In het proces tot de ratificatie mag er geen wetgeving aangenomen worden die een verslechtering van hun positie inhoudt. Volgens de LCR beoordeelt de regering de plannen voor de Participatiewet niet volgens deze voorwaarde. Door de vergaande decentralisatie van beleid is evenmin duidelijk wat de verantwoordelijkheden van de Staat en gemeenten zijn.


Achterstand

Dit VN-verdrag is er gekomen omdat veel mensen met een beperking structureel een achterstandspositie innemen. Het verdrag is van belang om te komen tot een inclusieve samenleving. Nederland zal het VN-verdrag ongeveer gelijktijdig met de invoering van de Particpatiewet ratificeren. 

 

Verantwoordelijkheid

De LCR is van mening dat de regering niet duidelijk maakt hoe zij haar verantwoordelijkheid neemt. Zeker nu de regering op het punt staat beleid op het gebied van werk, inkomen en zorg te decentraliseren. Om te voorkomen dat er 400 verschillende uitwerkingen komen van het verdrag moet de regering op onderdelen meer sturend optreden.

 

Niet stroken

Verder vindt de LCR dat de regering een aantal belangrijke zaken in de plannen voor een Participatiewet niet stroken met het verdrag. Zo is de rechtpositie van mensen met een beperking onvoldoende geregeld, voor jongeren met een beperking is zelfs sprake van een verslechtering.

 

Actieve bijdrage

De LCR laat verantwoordelijk staatssecretaris van Rijn weten een actieve bijdrage rol te willen spelen in de implementatie van het verdrag. Zo wil de LCR ondersteuning bieden bij het vinden van samenhang tussen de bepaling ‘in overleg met de doelgroep zelf’ en wettelijke voorgeschreven cliëntenparticipatie op het terrein van werk en inkomen.

 

Wat zit vast aan het verdrag

Het verdrag regelt, in het kort, dat de Staat (als ondertekenaar) verantwoordelijk is voor het wegwerken van de achterstandspositie zodat mensen met een beperking net als alle burgers mee kunnen doen. De Staat dient hiervoor een plan van aanpak op te stellen zodat planmatig wordt gewerkt aan die verbeteringen. Nederland moet ook monitoren of zij er in slaagt de doelstellingen uit het plan van aanpak realiseert. En Nederland legt ook verantwoording af aan de VN.


Toetsing

Het VN-verdrag vereist dat bestaande wetgeving wordt beoordeeld en eventueel wordt bijgesteld. Wetgeving die voor de ratificatie van het VN-verdrag wordt behandeld, mag geen achteruitgang inhouden voor mensen met een beperking. Nieuwe wetgeving moet altijd worden getoetst aan het verdrag. Een belangrijke bepaling van het verdrag is dat de Staat in overleg mensen met een beperking zelf het beleid maakt.

 

Grondbeginselen

De grondbeginselen van het VN-Verdrag zijn: respect voor de inherente waardigheid en persoonlijke autonomie met inbegrip van de vrijheid zelf keuzes te maken en de onafhankelijkheid van personen, non-discriminatie. Volledige participatie en opname in de samenleving, gelijke kansen en toegankelijkheid zijn naast gelijkwaardigheid en diversiteit onmisbare peilers voor inclusie.


Klik voor: Reactie van de LCR op de concept-goedkeuringswet tot ratificatie van het VN-verdrag.

Meer lezen over het VN-verdrag en de Coalitie voor Inclusie, klik hier.

Foto: iStockphoto


(20 augustus 2013)




Twitter share button Facebook share button LinkedIn share button

Laatst gewijzigd op 21 februari 2014 15:09:33

Vraag en antwoord